ze werkelijk zevenenzeventig is. Het geeft haar zo’n kracht, dat ze de rugzak een heel eind verder zeult.
En zo zijn ze dan weer in het oude kamp terug gekomen, en de anderen, die niet weg zijn geweest, durven ze haast niet aan te kijken, omdat ze zo’n medelijden met ze hebben.
Maar zij heeft medelijden met die anderen, die zonder ophouden, zonder weken van verademing, in hun sleur door moesten gaan. Ze heeft van iedere dag in het andere kamp genoten, en doordat ze nooit werkelijk geloofd heeft, dat ze naar Palestina en naar vader en moeder zou gaan, is ze niet eens erg teleurgesteld. Honger heeft ze daar net zo goed gehad als ze het hier weer zal hebben, dus dat maakt zoveel verschil niet. Nee, - ze heeft het goed gehad, en wat verder komt, neemt ze op de koop toe.
Wat verder komt. . .
Nog een week later worden ze weer bij het werk ingerekend. Er moeten zo-en-zoveel werkers uit deze barak geleverd worden; de leiders moeten zelf maar uit2;oeken wie. En omdat zij in het andere kamp jarig is geweest en vijftien is geworden, en omdat er anders misschien moeders van kleine kinderen worden gestuurd, is ze de barakkenleiders vóór en meldt zich. De ouders van haar vriendinnetje, dat nog geen vijftien is, anders konden ze fijn met z’n tweeën gaan, - vinden het helemaal niet goed, dat ze naar die stoffige schoenentent gaat, maar ze heeft zich gelukkig al gemeld en nu is er niets meer aan te doen.
Ze is een beetje opgewonden, als ze er voor ’t eerst heen gaat. Ze vindt het een avontuur. Als ze er uren zit, zo krom als een hoepel, omdat je van de honger zo weinig fut in je rug overhoudt en omdat ze al lang niet meer weet hoe een stoelleuning er uit ziet, - zakt de opwinding, en van het avontuur is niet veel over. Het is vies en stoffig, en de zon staat op de tent met al die honderden mensen erin en maakt het er broeierig-heet. Maar de vrouwen aan haar tafel leren elkaar heerlijke kookrecepten uit de vroegere tijd; dat helpt tegen de honger. En het meisje tegenover haar overhoort haar Hebreeuwse woordjes, die ze in het andere kamp hebben geleerd. Zó komt de tijd toch voorbij.
In de middag ziet ze, dat de vrouw naast haar alleen maar schoenen tornt, als de groene in hun buurt komt om toe te kijken
198