ene in Duitsland, omdat ze nu bij vreemden was en niet met vader en moeder samen, en omdat ze groter was geworden en alles veel beter begreep. Als ze toen niet naar Holland was gestuurd, zou ze nu al lang met vader en moeder in Palestina zijn, - maar dat hebben ze tevoren niet kunnen weten. En dat ze nu toch naar vader en moeder zal reizen, dat kan ze nog niet geloven, - ook nu niet.
In de week na Sjoewe’oth is er op een morgen gezegd, dat ze in enkele uren hun bagage klaar moesten hebben, om die te laten nakijken en wegen. Ze hebben toen werkelijk geloofd, dat de reis vandaag zou zijn; de groenen hebben dat ook geloofd, anders zouden ze zich niet zo’n moeite hebben gegeven met het wegen van de bagage. En toen ze in de middag klaar stonden, moe en bezweet en erg gespannen, - toen is opeens het bevel gekomen, weer in de barak te gaan en de bedden op te maken, want de reis werd voor onbepaalde tijd uitgesteld.
Ze hebben toen allemaal wel geweten, wat „onbepaalde tijd” betekent: voor altijd. Nooit, nooit zullen ze hier wegkomen; het is nog erger dan met die vijftig teruggestuurden, want die hadden hun bagage nog niet klaar en gewogen. Alleen: ze hoeven niet naar het kamp terug, waar ze dadelijk weer aan ’t werk zouden worden gezet. Ze blijven bij elkaar: een troepje van twee-honderdvijftig, die voor Palestina bestemd zijn geweest.
Maar anderhalve week later komt opeens een heel ander bevel: terug verhuizen naar het oude kamp. Nog niet werken, - nog niet in de andere barakken verdeeld, - nog samen in één benauwd, klein barakje, dat gauw voor hen is leeggeruimd en niet eens schoongemaakt.
Nog samen, - maar de groenen schreeuwen weer tegen je zoals er altijd in het oude kamp tegen je geschreeuwd wordt. Vóór de verhuizing goed en wel begonnen is, verandert de toon al. Ze kunnen zelf hun bagage slepen, en vlug ook! Jawel, die oude vrouw daar ook, - die stelt zich maar aan, of ze zo oud is!
„Hoe oud ben je?” schreeuwt de groene tegen de oude vrouw, die haar rugzak voort tracht te krijgen.
„Zevenenzeventig,” zegt ze, met een krachtige stem.
„Dat lieg je.”
De oude vrouw straalt van trots, omdat hij niet gelooft, dat
197