De vijftig teruggestuurden moeten hun rugzakken pakken en terug gaan naar de andere kant van het prikkeldraad. Gauw, -gauw, - want ze zijn opeens geen mensen meer, tegen wie men op een behoorlijke toon spreekt, maar nummers uit het slavenkamp, die opgejaagd en toegesclbreeuwd moeten worden. Gauw, - gauw, - geen twee soorten door elkaar, - en een beetje ópschieten!
De gelukkigen, die deze weel: zullen reizen, helpen ze, wat ze kunnen. Hun vreugde versmelt in het lijden met de anderen. O, dit dobbelspel, - dit grove spel om mensenlevens!
Aan de andere kant van het prikkeldraad slepen de vijftig hun vracht moeilijk voort en wachten om in een barak te worden ingedeeld. Het is alles als vijf weken geleden; morgen zullen ze weer naar het werk gestuurd worden of uren op appel staan.
Een sterrejongen, het magere, witte gezicht tot een masker verwrongen, keert zich om en tuurt over het appel-veld naar het prikkeldraad en wat daarachter ligt: het paradijs van vijf weken.
De moeder, zelf verslagen en ineengedoken, legt een troostende hand op zijn schouder. Maar de jongen trekt zijn schouder weg onder haar hand en grauwt hees:
„Blijf af.”
Dan, geschrokken van haar ontdaan gezicht, keert hij zich om en huilt, zoals een jongen huilt: rauw en wild, en zonder tranen.
Heen en weer
Als ze terugziet op wat er allemaal gebeurd is in die paar weken, nadat die vijftig weg zijn gestuurd en niet mee mochten op hun reis . . .
Ze heeft alles samen gedaan met haar vriendinnetje, want zelf is ze zonder iemand, die bij haai hoort; vader en moeder zijn al lang in Palestina, een half jaar nadat ze haar voor de veiligheid naar Holland hadden gestuurd, omdat er in Duitsland zo'n vreselijke nacht was geweest en omda t ze niet wilden, dat hun kleine meisje - tien jaar was ze toen, - nog vaker zo'n nacht mee zou maken. Och, er zijn later in Holland nog veel meer nachten en dagen geweest, die even erg waren, - en voor haar was dat erger dan die
196