er stil van. En die niet stil zijn, worden met een snauw tot stilte gedreigd door moeders, die anders nooit snauwen en dreigen. O, God, waarom weten ze ook niets en waarom is het middenin afgebroken!
Dan loeit het veilig sein, en verslagen van spanning gaan ze naar hun plaatsen terug.
De lijst gaat verder. Er vallen er meer uit, en als het alfabet uit is, staat aan de éne kant de groep der opgeroepenen en aan de andere kant een groepje van vijftig vergetenen. Er komt geen aanvulling, - de spanning is voorbij. De commandant, zakelijk, deelt mede, dat de opgeroepenen waarschijnlijk deze week zullen reizen. Het aantal is te groot geweest, en in Berlijn zijn vijftig namen geschrapt. Hij kan er niets aan doen. Wie wat te vragen heeft, kan het doen.
Er treden een paar naar voren, al weten ze, dat er toch niets te veranderen is. Het kleine sterremeisje, aan de hand van haar pleegmoeder, staat er ook.
„Commandant,” zingt haar hoog stemmetje, „zeg, commandant, moet ik alléén naar Palestina? Commandant, luister nou! Of ik alléén naar Palestina moet!”
De commandant, in het nauw gedreven, zwijgt. Het sterremeisje haalt de schouders op.
„Hij verstaat me niet,” zegt ze teleurgesteld.
De pleegmoeder tilt het kind op en biedt haar te koop aan.
„Welke vrouw wil op reis voor dit kind zorgen?” vraagt ze.
Er gaan een paar vrouwenhanden omhoog. De pleegmoeder aarzelt even, kijkt zoekend de vrouwenhanden langs en de vrouwengezichten, en kiest. Ze zegt niets; ze kust het kind en reikt het aan de nieuwe pleegmoeder over. Een droom vervliegt: een droom van waanzinnig-gelukkige ouders, die een levend kind terugkrijgen uit haar handen. Ze zullen het terugkrijgen, - maar de droom, haar droom, waarvan de vervulling een heel leven waard zou zijn geweest, de droom is vervlogen.
Het kind staat stralend in de rij der opgeroepenen en knikt de vrouw, die in de rij der overgeslagenen terug is getreden, triomfantelijk toe.
„Ik ga fijn naar Palestina!” schalt haar stemmetje.
195