En weer staan ze in twee groepen. Maar nu wordt de groep der achtergeblevenen met een snauw naar de barak teruggejaagd, en de groep der uitverkorenen wordt aangesproken op een toon, die nieuw is in dit kamp: alsof er tot mensen het woord wordt gericht. Zij moeten binnen een half uur terug zijn op het appel-veld, met al hun bagage.
Gaan ze op reis, vandaag al? Waarheen? En zouden de groenen werkelijk geloven, dat ze alle smaad en alle vernedering met één slag vergeten zijn, als er op het laatste ogenblik tot ze gesproken wordt, alsof ze mensen zijn?
Ze schuifelen langzaam voort, in rijen van vijf: het éne kamphek uit, alsof ze naar het badhuis gaan, - en het volgende hek, weer in, naar een stenen barak, die niet meer tot dit kamp behoort en er door prikkeldraad van gescheiden is.
Dus dit is de reis: van het éne kamp naar dat ernaast. Maar ook naar een andere wereld, waar geen slavenwerk gedaan behoeft te worden, waar het appel op z’n hoogst een kwartier duurt en waar de groenen spreken in plaats van schreeuwen.
De barak heeft de vorm van een stal. Ieder zoekt zich een bed en richt zich weer in, alsof er nooit iemand aan een reis had gedacht.
„Moet je weer barak leiden?” vraagt bedrukt het kleine meisje, wier moeder barakkenleidster is geweest.
„Nee,” zegt de moeder, zielsgelukkig, „hier hoef ik niets te zijn.”
„Alléén maar moeder!” juicht het kind.
Door het prikkeldraad zien ze die avond, dat de mensen en kinderen van het oude kamp uren en uren op het appel staan, tot de duisternis valt.
Frans
Geweldig, zoveel als de grote mensen je laten leren, als ze niets anders om handen hebben! In het andere kamp waren de meeste vaders en moeders de hele dag naar het werk, en langzamerhand
190