gen! Hij wees met zijn hand, dat het er vijf waren! Ik heb het zelf gezien!”
„Vijf uit één barak, - dat kan toch niet? En in zakken?” „Ja,” zegt de jongen trots, „bij de streeflingen is dat zo. O jé, soms nog veel meer dan vijf!”
De anderen zwijgen, geïmponeerd door zóveel wetenschap. Het kan, - ja natuurlijk, het kan waar zijn. Ze hebben straf, en dan is alles heel anders. Wat zouden ze gedaan hebben, dat ze straf hebben gekregen? Iets heel ergs misschien . ..
Ze kijken, stil geworden, de kar na tot waar hij het volgende prikkeldraad voorbijgaat.
Oude verhalen
De avond dat het Poerim wordt, haasten zich een paar mannen na hun werk naar de barakken van hun vrouwen en kinderen. Ze hebben de kleine, perkamenten rol bij zich, die ze nog van thuis hebben meegenomen. Daar staat het Poerimverhaal in, -het oude verhaal van Jodennood en ongedachte redding, - van een jong, dapper koninginnetje, dat zich inzette voor haar volk, -van kansen, die keerden in één dag. De vrouwen en de kinderen moeten dat verhaal horen, nu meer dan ieder ander jaar. De mannen, in het mannenkamp, kunnen het vanavond horen; daar worden ze niet over een half uur weggejaagd, zoals ze over een half uur uit het vrouwenkamp zullen worden weggejaagd.
Een man zet zich aan één van de tafels en rolt het perkament uit onder de lichtkring van de flauwe lamp aan de zoldering. Hij begint te lezen, haastig, maar toch met nadruk op elk woord uit dat wonderlijke verhaal, dat niet wonderlijker en niet bewogener is dan zijn eigen leven van de laatste jaren. Er komt een kring om hem heen staan: vooraan de kinderen, achter hen de moeders. Voor sommigen is dit Hebreeuws open en boeiend als een verhaal in de moedertaal; voor sommigen zijn het vertrouwde klanken uit de jeugd, lief en strelend daarom alleen; voor sommigen is het nieuw en uit een verre wereld. De kring groeit met iedere minuut; de achtersten zien de man niet, horen dof en ver zijn stem. Niemand wil dit eentonige recitatief missen. Is het niet een
185