„Jij zal het weten!” wordt er gehoond.
„En ik weet nog meer: we krijgen vanavond zoete koffie.”
„Echt?”
Hoe het komt, dat de zoete koffie niet gehoond wordt, is niet na te gaan. Zoete koffie is nog veel zeldzamer dan dikke soep; zoete koffie is nog maar twee of drie keer voorgekomen. Misschien kunnen ze niet veronderstellen, dat ’n jongen zo iets zeldzaams als zoete koffie uit zijn duim zal zuigen.
„Echt. Let maar op, vanavond.”
Er komt een groepje politieke gevangenen langs, op weg naar hun werk. Ze houden zich nauwelijks op de been, slepen zich voort, in hun gestreepte gevangenispakjes, waar met rode verf kruisen of nummers of doodskoppen op geschilderd zijn, al naar hun straf. Op hun kaalgeschoren hoofd dragen ze een gestreepte katoenen muts, die ze voor iedere groene, waar ze langs komen, snel afnemen.
„Dat zijn streeflingen,” zegt een jongetje. „Zeker om die strepen op hun pakjes.”
„Och jö, - streeflingen is Duits! Omdat ze straf hebben!”
„Dan zouen ze toch Sträflingen heten?”
Zij kijken het wankele groepje na en zijn toch maar blij, dat hun vaders hun eigen, gewone pakjes dragen, ook al slepen ze zware karren en werken alsof ze streeflingen waren. Van iedere voorbij-getrokken kar bespreken ze de inhoud; misschien is er iets anders dan koolrapen in die wagen, die vóór de keuken stilhoudt, - ze kunnen het van hier niet zien.
„Nee, - koolrapen,” stelt de zoon van de buurman van de kok zakelijk vast. Niemand luistert naar hem.
Dan rijdt er een mestkar voorbij, die door een paard wordt getrokken. Op de bok zit een Sträfling, en in de wagen liggen, opgestapeld, lange, gevulde jutezakken. De man op de bok, die nooit mag praten met één uit het Joodse kamp, steekt vijf vingers omhoog tegen een voorbijgaande Jood.
De Jood knikt en schudt treurig het hoofd.
„Weet je wat dat zijn, in die wagen?” roept een jongen opgewonden. „Dat zijn dooien!”
„Je bent gek!”
„Nee, - ik weet het! Vijf dooien uit de barak van de streeflin-
184