er bij, waar de anderen niets van verstaan, maar waar ze toch graag naar luisteren, omdat het zo grappig klinkt. De Griekse kinderen hebben tóch nooit iets gedaan; die doen altijd precies, waar ze zin in hebben, net als de Griekse grote mensen, omdat de Joodse baas van het kamp, - de man, die altijd op het fluitje blaast als het appel is afgelopen, - zelf een Griek is en zelf alles mag. De kleine Italiaantjes uit Noord-Afrika horen haast niet bij het kamp; die hebben een meester met een stok, en als ze een Hebreeuws woord niet kennen, krijgen ze met die stok een tik tegen de benen. Ze lopen altijd op het appelveld les te krijgen, in de rondte, en de groenen schijnen dat maar goed te vinden, omdat ze elkaar toch niet verstaan. Zelf kun je alleen de paar jongetjes verstaan, die een mondjevol Hebreeuws kennen, - als je tenminste zelf Hebreeuws kent! In elk geval hebben deze bruine kindertjes er geen last van, dat de jeugdverzorging verboden is; ze krijgen er evengoed om met de stok.
Maar de gewone kinderen, die Hollands praten of Duitsachtig Hollands - echte Engelse kinderen zijn er niet, al hebben er een heleboel Engelse papieren, zonder een woord Engels te kennen, - de gewone kinderen weten niet goed, wat ze met hun dag zullen beginnen. Luchtalarm is er niet, dus ze kunnen vrij tussen de barakken rondlopen; maar je raakt ook eens uitgelopen, en wat dan? Je kunt wat houtspaandertjes bij elkaar zoeken voor de kachel in de eetzaal; als er geen houtspaandertjes meer te vinden zijn, ben je weer even ver.
Een groepje jongetjes hangt wat om bij het prikkeldraad. Ze zien uit op de brede ruimte, die er is tussen het kamp en de keuken en waarlangs de werkers altijd naar hun werk gaan. Er is een jongen bij, die altijd van te voren kan vertellen, wat ze morgen te eten krijgen, want zijn vader slaapt naast één van de koks. Niet dat het altijd uitkomt, - hij hoort het ook wel eens verkeerd en hij bedenkt ook wel eens, wat hij graag zou willen.
„Morgenavond krijgen we dikke soep,” zegt hij triomfantelijk, uitkijkend naar de keuken aan de overkant.
,/s Niet!” roepen er een paar. „Dikke soep krijg je maar twee keer in de week, en we hebben al twee keer gehad!”
„O, niet? De kok heeft het gezegd. We krijgen in ’t vervolg drie keer in de week.”
183