In het ogenblik, dat zijn blote voeten op haar bed staan, heeft hij een gevoel, of hij haar aanraakt. Hij springt dadelijk op de grond, grabbelt onder haar becl naar zijn schoenen en rent weg, zich stotend tegen ieder ding in het smalle gangpad.
Als hij uit het washok terug komt, weet hij: niet weer op haar bed stappen, - niet naar zijn eigen bed terug. Hij tast zijn weg naar het andere gangpad en tast langs de bedden en telt ze, om moeders bed te vinden.
„Wat is er?” schrikt moeder wakker, als zijn kop en zijn armen boven haar bedrand uit komen. „Is er wat?”
„Ik ben bang, - moeder, ik ben bang, - toe moeder, mag ik voor deze keer bij je in bed?” fluistert hij gejaagd. Moeder heeft hem al binnen de rand getrokken en houdt de deken voor hem op, om hem eronder te laten kruipen.
„Heb je naar gedroomd?” vraagt ze.
Zou hij het gedroomd hebben? O nee, - het is echt gebeurd. Hij rilt.
„Stil maar,” zegt moeder, en legt zijn kop tegen haar wang. „Is het nou goed?”
„Ja,” zegt hij moe.
Moeder weet niet half, hoe goed het wel is.
Ze steken hun hoofdjes tezamen . . .
Vandaag komt er niets van de club of de les of de school of hoe je het noemen wilt, want er is een extra appel geweest, omdat er te weinig werkers waren, en toen is meteen de jeugdverzorging verboden en de juffrouw is naar de schoenentent gestuurd om oude schoenen te tornen. Nu moeten ze maar zelf zien, hoe ze hun dag doorbrengen.
Gelukkig is het droog weer, - anders zouden ze in de barak moeten omhangen en standjes van krijsende moeders krijgen, omdat ze overal aan zitten, terwijl er niets is om aan te zitten. Ze slenteren naar buiten uit de verschillende barakken en vinden elkaar en weten nog niet, wat ze met elkaar zullen doen.
De Franse kinderen boffen: die hebben hun jong juffrouwtje gehouden en spelen een kringspelletje en zingen een Frans liedje
182