er toch wat aan gedaan. Ze blijft hele pozen stil tussen de éne keer en de andere, zodat hij telkens denkt, dat het over is, maar dan opeens is het er weer.
Nu doen die twee vrouwen iets heel vreemds: ze fluisteren samen, tegelijk en half hardop, „Sjema”, en daarna nog meer Joodse gebeden. Als ze er mee ophouden, hoort hij de verpleegster zeggen: „Afgelopen.”
Opeens begrijpt hij het. Ze heeft zich niet aangesteld en ze kon het helemaal niet helpen en het is erg gemeen van hem geweest, zo kwaad op haar te zijn en hij zal nooit meer, nóóit meer kwaad zijn op iemand die hoest en hijgt. Want zijn benedenbuur is dood.
„Wat zullen we doen?” fluistert de verpleegster.
Hij ligt met zijn hoofd op de rand van zijn bed om te horen, wat ze zeggen. Hij hoopt, dat de verpleegster nu verder op haar blijft passen, want ze mogen hem niet alleen laten boven die dode oude vrouw. Dat kan toch niet!
„Niets doen,” zegt de barakkenleidster. „Geen opschudding maken. Toedekken tot morgen vroeg het licht opgaat.”
Hij wil zeggen, dat ze hem niet alleen mogen laten, maar hij schaamt zich, dat hij het allemaal heeft gehoord. Net of hij iets heeft af geluisterd, dat niets voor kinderen was. Hij ziet het lichtje weggaan en weet, dat hij alleen ligt boven zijn dode benedenbuur.
Nu ze dood is, weet ze misschien wel alles - ook, hoe lelijk hij altijd over haar heeft gedacht en hoe woedend hij vannacht is geweest. Hij probeert heel lief aan haar te denken, maar dan valt hem weer haar oude knorrige stem in, die klaagt over zijn voeten op haar bedrand en over de strootjes, en dan houdt alle liefheid op. Vreselijk is dat! Je kunt niet eens helpen, hoe je over iemand denkt, en zij weet nu alles en vindt hem nog een akeliger jongen dan toen ze het nog kon zeggen!
Het ergste is, dat hij van alle schrik en al het wakkerliggen naar het washok moet. In ’t pikkedonker moet hij op de rand van haar bed stappen, en ze is dood. Als hij groter was, zou hij zich aan zijn handen laten zakken van zijn eigen bedrand en zich zó laten vallen, - maar hij is te klein en zou zeker zijn benen breken. Hij moet wel op haar bed stappen.
181