Benedenbuur
Van alle akelige en vervelende oude mensen vindt hij zijn benedenbuur wel het akeligste en het vervelendste. Nu is het wel waar, dat hij nog nooit in zijn leven zó vlak bij een oud mens heeft gewoond; als je boven iemand slaapt, heb je er wel erg veel mee te maken.
Doordat ze de hele dag op bed ligt, heeft ze er last van, als hij boven op zijn bed moet zijn en er op en er af klimt. Er is niets aan te doen, dat hij dan even zijn voet op de rand van haar bed moet zetten; anders komt hij er niet. En ze klaagt ook, dat er strootjes op haar vallen, als hij boven bezig is. Hij heeft de stromatras toch niet gemaakt! Net of hij het expres doet!
's Nachts hoest ze. Nou ja, er hoesten er wel meer, - maar daar hoef je toch zo'n drukte niet bij te maken! Ze hijgt en maakt allerlei geluiden, die niet bij hoesten horen, dus hij weet zeker, dat ze zich aanstelt. Moeder hoort er niets van, want die slaapt aan het andere gangpad, en als je niet vlak boven iemand ligt, hoor je er zoveel niet van. Niet dat hij slecht slaapt, - helemaal niet! Hij is geen aansteller! Maar de ogenblikken, dat hij wakker is, hoort hij haar hoesten en hijgen en raar doen, en dan krijgt hij de kriebels van boosheid en ongeduld.
Zoals vannacht is het nog niel: geweest» Nu kan hij echt niet weer inslapen. Waarom geven ze haar 's avonds geen hoest-drankje, zoals hij vroeger thuis kreeg, als hij moest hoesten? Waarom doen ze er niets aan?
Nu heeft toch iemand anders het gehoord: er komt iemand met een lantarentje naar het bed van de oude vrouw toe. Hij hoort, hoe iemand een paar sussende woorden tegen haar zegt; het is de stem van de barakverpleegster, maar de oude vrouw geeft geen antwoord en hijgt maar door, op zo'n rare, ratelende manier.
De verpleegster zegt niets meer tegen haar, omdat ze toch geen antwoord krijgt. Ze gaat weg met haar lampje, en hij is al bang, dat ze er niets aan doet, maar na een kort poosje komt ze met een andere vrouw terug. Het is een barakkenleidster. Ze fluisteren een beetje samen; hij kan niet horen, wat ze zeggen.
Gelukkig wordt het hijgen wat minder; misschien hebben ze
180