vlak langs de groene, die aldoor telt. Gauw, - gauw, - de handdoeken in een hoek op de grond, omdat er niets is om ze aan op te hangen, - zusjes een kleizeepje in de hand duwen, - zien dat ze onder een douche komen . ..
Ze boft werkelijk: ze komt onder een douche, waar nog maar drie vrouwen onder waren; met zusje en haar er bij zijn het er vijf. Ze wijst, gebukt, hoe zusje zich zelf maar wat moet poedelen, en rekt zich dan, de armen omhoog, naar het hete water. Het is echt schoon water, niet eerst langs een andere vrouw gelopen. Zalig.
Ze laat het kleizeepje maar zo’n beetje langs haar lijf glijden; voor echt wassen heeft ze geen tijd. O, wat is die vrouw naast haar vréselijk oud! Ze draait zich maar gauw de andere kant op. Zou zusje dat nou ook zien en er van schrikken? Ze kijkt omlaag naar waar zusje gehurkt zit onder het water, dat langs de anderen neerdruipt.
Zusje zit, verdiept de voeten in te zepen van de oude vrouw. Ze heeft het er druk mee en is zielstevreden.
Ze kijkt niet hoger dan de enkels. Gelukkig . . .
Vrije middag
Als vader zondagmiddag vrij heeft, - maar dat gebeurt lang niet altijd, - dan is het feest. Moeder heeft al drie dagen tevoren telkens van elk van hen een aardappel bewaard; ze heeft de schillen gevraagd, die de andere vrouwen weggooien, en daar heeft ze geduldig alle snippertjes aardappel uit gepeuterd. Ze heeft daar gelukkig tijd voor, want ze hoeft niet naar het werk, omdat het kleintje nog geen drie jaar is. Al die aardappels en die snippers heeft ze met een vork fijn gemaakt. Haar jam van de week en haar kwark heeft ze niet opgegeten, en nu doet ze die door de aardappelen en ze maakt er een taart van, als ze tenminste zondagmorgen een plaatsje op de kachel kan krijgen, maar dat lukt niet altijd, want er zijn er zoveel, die dat willen, en moeder kan niet zo hard schreeuwen als de andere vrouwen, dus daardoor komt ze niet zo gauw aan de beurt.
’s Morgens zijn er altijd gamellen vol heet, koffieachtig nat,
177