is een griezelig gevoel, met je blote voeten op die moddergrond; straks, als je voeten schoon gewassen zijn, worden ze dadelijk weer vuil, en over die vuile voeten trek je dan je kousen aan. Nou ja, die kousen zijn toch nat. ..
De mensen, die het eerste binnen waren, hebben de kapstokken genomen, die het verst van de deur zijn. Er is zelfs een uithoek, waar de verwarming langs loopt; die daar kunnen komen om zich uit te kleden, boffen eventjes! Zij is vlak bij de buitendeur; ze rilt van de kou, en zusje ook. Als ze uitgekleed zijn, doen ze hun handdoek om de schouders. Zij trekt de punten wat naar voren af, want ze schaamt zich een beetje, omdat ze al grote-mensen-borstjes begint te krijgen. Het is zo raar: je bent er trots op, dat je al groot wordt, en je schaamt je tegelijk.
Ze wachten naakt in de volgende ruimte, zo’n paar honderd vrouwen. Er wordt telkens een groep van zowat zestig in de doucheruimte gelaten. De groene, die bij de ingang van de doucheruimte staat, telt ze, en als ei' genoeg binnen zijn, schreeuwt hij „halt!” tegen de volgenden. Na een paar minuten komen de gedouchte vrouwen er weer uit, nog nat, omdat ze geen tijd hebben om zich af te drogen; ze dringen zich langs de muur van de volle wachtruimte en gaan, zich drogend, naar hun kleren terug.
Zij is nog lang niet aan de beurt; er gaan nog wel twee groepen vóór. Ze kan niet helpen, dat ze een beetje om zich heen ziet. Haar vriendinnetje staat een paar rijen vóór haar. Wat is die al groot! Met een jurk aan lijkt ze nog lang zoveel niet op een groot mens. Nu knikt ze tegen haar; ze durft haast niet terug te knikken, omdat ze alleen maar een badhanddoek om haar schouders heeft. Er zijn een paar oude vrouwen bij. In de barak heeft ze gezien, dat die oudjes liever niet mee wilden door de sneeuw, maar de groene, die hen allen naar het bad moest jagen, heeft iets geroepen van lui en smerig en dat er niet één vrouw in de barak mocht achterblijven. Nu staan die oude vrouwen hier te rillen in de tochtige wachtruimte. Ze zien er zo griezelig uit zonder kleren. Ze heeft dat nooit geweten, dat je zó werd als je oud was. Zij wil nooit oud worden; ze wil zó blijven als ze nu is, of op zijn hoogst worden zoals moeder, maar oud wil ze niet zijn. Misschien gaat ze wel dood vóór ze zo oud wordt, denkt ze tevreden.
Nu oppassen: met deze groep moet ze naar binnen. Ze gaat
176