haar rij-van-vijf en die vóór haar is een opening gekomen. Ze kan de ruggen van de vijf vóór haar bijna niet zien, zó dicht en zwart is de sneeuwstorm. Alles is zwart: de lucht, de vlokken, de grond. Vroeger was sneeuw altijd wit en hier, op het appelveld of tussen de barakken, is hij sommige ogenblikken ook wit en blinkend, maar op deze tocht van het kamp naar het badhuis, dat eigenlijk, in het Russisch en in het Duits ontluizingsinrichting heet, - op deze tocht is alles zwart. Als zwarte beesten zwermen de vlokken voor haar uit; ze kan de ogen haast niet open houden en als zusje klaagt, dat haar gezicht zo'n pijn doet, zegt ze haar, de ogen dicht te knijpen omdat zij haar wel vasthoudt. Ze wordt er vreselijk moe van: onder de éne arm de badhanddoeken van hen beiden, aan de andere hand zusje, die niet voort kan, vóór haar de storm en achter haar de volgende rij, die roept: „Beter aansluiten!”
Wat zal ze zich straks moeten haasten, nu ze zusje en zichzelf in die paar minuten moet wassen! Moeder is naar het werk, bij de schoenen; de werkers gaan in eigen groepen naar het bad. Toen moeder nog met hen mee kon, had zij zelf moeite genoeg om met wassen klaar te komen. Ze zal zusje maar zo'n beetje met een zeepje laten spelen; de douche spoelt het wel af, als ze ten minste een plaatsje onder een douche te pakken kunnen krijgen. De andere mensen dringen altijd zo vreselijk, als ze bij het badhuis zijn aangekomen, en ze kleden zich veel vlugger uit, dus die zijn ook het eerste bij de doucheruimte. Als er al vijf vrouwen onder één douche staan, en je komt er nog bij, krijg je haast geen water, behalve wat van de vrouwen afdruipt, - en dat is zo vies . . .
Kijk, nu zijn ze er. De muur van het badhuis staat gelukkig tussen hen en de sneeuwstorm. Ze kan nu weer zien, en een beetje uithijgen, vóór de deur opengaat. Anderen dringen al tot vlak voor de deur, om het eerste binnen te zijn. Zij kan dat niet, zeker niet met zusje aan de hand. Ze zal wel weer de laatste zijn, en dan schreeuwt de groene, dat ze op moet schieten. Ze kan er niets aan doen.
Binnen is er voor ieder een klerenhaak, waar je al je kleren aan op moet hangen; de schoenen zet je op de grond, die al helemaal modderig is van het sneeuwwater uit al die schoenen. Het
175