Als ze het merken . . .
Ze zullen het niet merken. Ze; zullen denken, dat ze zich op die honderdzestig of honderdtachtig porties met één portie vergist hebben; dan zullen ze kleine stukjes van de andere porties afsnijden en daar een nieuwe portie van maken.
Maar als ze het merken . . .
Hij weet, dat hij dan een paar dagen in de bunker komt, in de kou en het donker, en dat ze hem een portie brood zullen inhou-den. Dat is het enige erge. En moeder natuurlijk, die zal huilen -dat is ook erg.
Hij klimt op zijn bed. Moeder is er niet; die heeft binnendienst in een mannenbarak. Hij haalt het stuk brood uit zijn zak en bijt er in. O, wat heeft hij een honger! Hij kauwt haast niet; hij slikt maar, slikt maar, grote, harde stukken.
Als hij het grootste deel op heeft, scheidt hij uit. Zijn keel doet pijn van het slikken, maar het trillen heeft opgehouden. Hij drukt zijn gezicht in zijn strokussen en vloekt. „Stommeriken!” raast hij. „Stommeriken! Om niet op je brood te passen!”
Bad
Ze denkt onder het vechten tegen de sneeuwstorm, terwijl ze zusjes hand stijf vasthoudt:
„Vroeger, thuis, hoorde ik het bad in de badkamer al vollopen, en dan verlangde ik ernaar, er straks in te liggen. De badkamer was warm van het hete water. Als ik er in lag, liet ik het zeepje schuimen, tot mijn handen er wil: van waren. Het rook zo heerlijk. Het laatste jaar waste ik me: helemaal alleen, maar moeder legde de grote, ruige badhanddoek en de schone kleren voor me klaar. Meestal baadde ik, vóór ik in bed stapte; dan lag er een pyjama klaar, en het was zo heerlijk om schoon en warm in mijn bed te komen. En als zusje gebaad werd, zwommen er gummi-beesten in het bad rond, en ze sl*3eg op het water, dat het naar alle kanten spatte, en ze gilde het uit van plezier. Ik heb toen alleen niet geweten, hoe heerlijk het was. Als ik later weer in een bad kom, zal ik er op letten, hoe heerlijk het is.”
„Beter aansluiten!” wordt er achter haar geroepen. Tussen
174