mellen staan, vóór ze buiten het hek worden gebracht. Daar kijk je alle gamellen van binnen na, en als er nog wat in zit, eet je hem leeg met de lepel, die je er voor hebt meegebracht, of met je vingers. Alleen: er zijn meer kinderen, die dat kunstje kennen, dus je moet er als de kippen bij zijn!
En toch, met al die kunstjes, blijft hij hol en leeg van binnen. Moeder bezit geen wol of kleren meer, die ze voor brood kan ruilen; alle kleren zijn nodig, veel is al kapot en er is geen wol om ze te stoppen. Waar moet ze dan extra eten vandaan halen?
Hij is in een vreemde barak, op zoek naar zijn vriendje van de les. Ze hebben ’s middags les, in groepen; dat mag wel niet, want ze mogen niets leren, maar de leidsters doen net, of ze de kinderen maar zo’n beetje bezighouden en onderdehand leren ze een hele boel. Ze mogen het niet „school” noemen en niet „les”; „club” is nog het enige woord, dat mag. En nu heeft hij daar een vriendje opgedaan, dat even oud is als hij en een erg aardige jongen; jammer dat ze niet in dezelfde barak wonen.
Hij kijkt door de eetzaal en ziet hem niet. Hij gaat in de slaapzaal, alle rijen bedden langs, en roept zijn naam. De vrouwen zeggen, dat hij wel niet in de barak zal zijn. Moe en teleurgesteld gaat hij naar de eetzaal terug.
Op de tafel van de barakkenleiding liggen de dagporties brood al gesneden klaar. De leidsters zelf zijn er niet. Er zijn wat vrouwen aan de andere tafels, moeders van kleine kinderen, die niet naar het werk hoeven. Ze zijn druk bezig met hun kinderen, of met stoppen en naaien. Een paar, in de hoek van de eetzaal, hebben ruzie en krijsen, dat het tot buiten de barak is te horen.
Hij komt langs de broodporties en rilt van de honger. Hij moet er gauw voorbij lopen, anders bijt hij in één van die stukken. Waarom is er ook niemand bij om er op te passen? Ze liggen maar zó voor het nemen.
Hij loopt er niet gauw voorbij. Hij blijft bij de tafel hangen en snuift de broodgeur op. Niemand let op hem. En dan gebeurt het, eet hij het precies begrijpt: hij pakt een portie beet en stopt hem in zijn jaszak. Dan wandelt hij langzaam de barak uit.
Hij rilt nog meer dan daarnet; hij ziet vlammen voor zijn ogen en zijn tanden klapperen. Hij loopt nu vlug, om gauw in zijn eigen barak te zijn.
173