komen even later weer met een kist. Dus twee ... Of nog meer?
Ze schuiven moeilijk de tweede kist boven op de eerste. Hij staat er scheef op. Het achterschot zal hem moeten tegenhouden . . .
Maar vóór het achterschot er tegen is gezet, klinkt opeens het fluitje; het appel is afgelopen. De kinderen hollen joelend weg, zien niet, wat zij gezien heeft: dat de tweede kist er nog niet goed op staat en dat er nog geen achterschot tegen is.
Het paard, geschrokken van de rennende, rumoerige kinderen, gooit de kop achterover en slaat op hol. In de donkere, wilde dag slaat hij op hol. . .
Ze ziet het gebeuren en kan zich niet bewegen. Haar handen houdt ze voor de mond; daar boven kijken haar ogen verbijsterd naar wat zeker zal komen: dat de bovenste kist eraf wordt geslingerd . . .
Vóór het buitenste hek heeft de groene op de wagen de leidsels weer in zijn handen. Het paard komt tot staan en er is niets gebeurd.
Maar als grootvader langs haar komt, grijpt ze met klemmende vingers zijn arm beet en smoort tegen zijn natte mouw haar radeloze schreeuw.
Honger
Thuis mocht je nooit op het bord van een ander kijken of die ook meer had dan jij. Dat hoorde niet.
Hier doe je het vanzelf. Als er vier ongeschilde aardappels voor ieder zijn, komt het erop aan, of je twee grote en twee kleine krijgt of vier kleine. Je denkt altijd, dat je expres minder krijgt dan een ander; als alle kinderen van die moeder aan de tafel naast de jouwe een paar grote aardappels hebben, dan moet het toch wel expres zijn? En als andere kinderen je laten zien, dat ze stukjes vlees uit hun koolrapen hebben gevist, hoe komt het dan, dat je zelf nog haast nooit een stukje vlees hebt ontmoet?
Moeder blijft zeggen, dat je niet op het bord van een ander mag kijken, ook niet in een kamp en ook niet, als je honger hebt. Maar zelf is ze er stil van, als ze je niet één stukje vlees kan geven
171