klopt, is het appel afgelopen. Maar het klopt nooit en daardoor duurt het soms uren. Als je dood bent, vóór het appel begint, tel je niet meer mee, maar als je bezig bent, dood te gaan, tel je nog mee. Zo is het ook met geboren worden: als je vóór het appel bent geboren, tel je al mee, maar als je bezig bent geboren te worden, natuurlijk niet. Dat maakt het allemaal heel ingewikkeld. Eigenlijk weet iedereen, dat de groenen het getal laten kloppen, als ze een goede bui hebben, en dat ze er één te kort laten komen of overschieten, als ze kwaad zijn en willen pesten. Er is één dag geweest, toen hebben ze acht uur op appel gestaan, in de regen en de modder; de werkers, die tussen de middag naar hun barak dachten te gaan moesten ook een groep vormen op het appelveld en van daar weer zonder eten naar het werk gaan. Dat is wel de ergste dag geweest. Het kwam, doordat de commandant op reis was, en toen wilden de andere groenen laten zien, wat ze zonder de commandant wel konden. Er zijn toen veel mensen erg ziek geworden; van toen af is het vele doodgaan van de oudere mensen begonnen.
Als de zon schijnt en het appel is niet lang, - één uur of zo, -dan is het niet eens zo naar. Vóór je in groepen moet staan, ontmoet je vriendinnetjes uit andere barakken en je praat er even mee. Als je al stil moet staan, maar er is nog geen groene op het veld, zing je liedjes met elkaar; de vrouwen vertellen elkaar heerlijke recepten van toen er nog geen oorlog was en ze in hun eigen keuken konden koken. Het helpt voor de honger, als je over lekker eten praat; het is net, of je het werkelijk eet. Maar als er in de verte een groene aankomt, wordt er gewaarschuwd, en dan is het opeens doodstil. Er mag niet gepraat worden. Kleine kinderen begrijpen dat niet, en die praten en lachen verder. Hun barak heeft eens een uur extra moeten staan, omdat de kinderen niet stil waren. Tegenover hen staan de mannenbarakken. Grootvader is daar ook bij. De mannen moeten, zodra de groene langs hen gaat, hun hoed of hun muts afnemen. „Mutsen af!” wordt er dan door de barakkenleider gecommandeerd.
Grootvader heeft zulk mooi, wit haar, en zo’n fijne kop met zo’n hoog voorhoofd. Iedere keer als hij dat haar en dat voorhoofd ontbloot voor de groene, die langs komt, denkt ze hetzelfde:
169