De vrouwen bij haar in de buurt weten van die twee jonge meiden die daar gemakkelijk in twee benedenbedden liggen en er niet uit willen. Ze roepen tegen die twee, dat ze zich moeten schamen en dat ze plaats moeten maken voor die moeder. Maar die twee snauwen terug, dat ze zich met hun eigen zaken moeten bemoeien en dat ze om elf uur in de nacht niet van plan zijn te verhuizen. En door dat roepen en snauwen over en weer gilt aldoor de stem van de moeder:
„Niet één zal er slapen! Ik moet een bed hebben!”
Toen is er een andere moeder, die zelf een klein kindje heeft en in een benedenbed ligt, naar die twee toe gekomen. Ze heeft niet geroepen en niet geschreeuwd. Ze is op de rand van het éne bed komen zitten en heeft zachtjes gepraat, zoals je praat als je gezellig op de rand van iemand z’n bed zit. Die twee hebben eerst nog terug gesnauwd, maar toen ze alleen maar zachte antwoorden kregen, moesten ze vanzelf wel zacht terugpraten.
„Natuurlijk,” heeft ze die andere moeder horen zeggen, „we zijn allemaal een beetje boven ons theewater. Maar ik help even verhuizen. Met z’n drieën is het zó gebeurd.”
Ze heeft boven in haar bed stil liggen luisteren; ze had net een gevoel, of er een warme stroom door haar hele lijf ging, zó gelukkig was ze, dat dit toch maar kon, ook hier: zachtjes praten, en zo maken, dat de ander ook zachtjes ging praten. Toen de benedenburen uit hun bed kwamen en begonnen te verhuizen, heeft ze even over de rand van haar bed gekeken; het ging alles heel zachtjes en vlug, en de moeder met de twee kleine kinderen had opgehouden te gillen, omdat ze haar hadden gerustgesteld, dat ze een bed kreeg.
Later heeft die andere moeder de bedden helpen opmaken voor die drie en ze heeft alle drie ingestopt en is nog een poosje blijven praten. En zij, boven, lag daar maar en luisterde en dacht, dat ze in een kamp nog nooit zo blij was geweest.
Maar de vierde nacht is zó vreselijk, dat al het goede van de vorige nacht vergeten lijkt, net of het is weggezakt in al het vieze en afschuwelijke van de dag en de nacht, die er op volgen.
In het washok is alles verstopt geraakt; je loopt er door het smerige water heen, je kunt je niet wassen en de w.c. is niet te gebruiken. Overdag mag hij nooit gebruikt worden, maar ’s nachts
163