komen ze er niet door, en moeders met kleine kinderen op de arm moeten zich naar alle kanten draaien om te maken dat het kindje zijn hoofd niet stoot. En ’s nachts staan er ook nog krukjes in de gangetjes, omdat sommige vrouwen niet zonder krukje van hun bovenbed naar beneden kunnen klimmen. Als er een beetje licht op is, en je kijkt goed uit, stoot je je niet zo erg op weg naar het washok.
En de derde nacht is dat geweest met die moeder van die twee kleine kindertjes, die nu beneden haar slaapt. Het kleinste kindje is al meer dan een jaar en toch drinkt het nog van de moeder; de moeder zegt, dat dit de enige melk is, waar ze op rekenen kan, want ze vertrouwt niet, dat ze de kinderen hier melk zullen blijven geven. De eerste twee nachten heeft ze met de kindertjes op een paar banken in de eetzaal geslapen; hier zijn aparte eetzalen in de barakken, met tafels en banken en krukjes, en er wordt altijd om de plaatsen gevochten bij de maaltijden, omdat er geen ruimte genoeg is. Er was geen benedenbed over voor deze moeder met de kinderen, en in een bovenbed kun je met zulke kleine kinderen niet slapen, omdat die er natuurlijk uitvallen. In de bovenbedden horen grote kinderen, zoals zij, en vrouwen zonder kinderen, als ze ten minste niet te oud zijn om te klimmen. Maar onder haar sliepen die twee eerste nachten twee jonge meiden, grote mensen al, en die wilden er niet uit gaan voor een moeder met kinderen. Zo iets is vreselijk gemeen, want nu moest die moeder met die kleine kinderen op banken in de eetzaal slapen.
De derde nacht was het al laat in de avond, en alle mensen hadden al geslapen, toen die moeder zeker gek was geworden van moeheid. Want vóór die twee nachten had ze toch al die nacht in de trein gezeten, zonder plaats voor haar benen, en met die twee kleine kinderen bij zich. Door de slaapzaal was ineens die gillende stem gekomen, waar ze vreselijk van was geschrokken en die ze niet dadelijk had verstaan, omdat ze nog niet recht wakker was. „Drie nachten niet geslapen! Een beest geef je nog stro om op te liggen! Ik zal een bed hebben! M’n kinderen zullen een bed hebben! Als ik deze nacht niet slaap, zal er niemand in deze barak slapen! Ik word gek! Ik word gèk! Horen jullie me? Horen jullie me allemaal? Er zal niet één een oog toe doen in de hele barak, als ik geen bed krijg voor mij en mijn kinderen!”
162