en versuft, niet meer geloven dat er stenen barakken zullen zijn en dat het Rode Kruis over ze zal waken.
En als de trein weer stilstaat en ze met korte, bijtende bevelen er uit worden gedreven, - en als; ze opgewacht worden door een rij zwaargewapende uniformen, wier sieraad en symbool een doodskop is, - en als ze de broden, die toch werkelijk in het vorige kamp waren ingeladen, in een achteloze hoop op de grond zien liggen, - en als al wat maar even lopen of strompelen kan in rijen van vijf de twee-uur-lange tocht naar het kamp moet beginnen, - dan weten ze beter.
De kleine kinderen met hun moeders, de invaliden en zwaar zieken, mogen wachten, tot ze met vrachtwagens zullen worden vervoerd. De moeders zitten op de grond of op hun koffer, de baby's in de armen. Als de auto komt, worden ze er dadelijk in geladen; ze moeten de armen uitstrekken om de kleuters aan te pakken, want anders wordt er een volgende in geladen bovenop het kind. Het heeft alles haast. Als de auto helemaal vol is, zonder ruimte voor beweging, wordt het achterschot met een ijzeren bout gesloten en de auto rijdt weg. Er is geen enkele opening in de houten wanden; er valt geen enkele lichtstraal naar binnen. Een rijdende, schokkende duisternis heeft moeders en kinderen verzwolgen. De moeders roepen, dat hier een klein kind staat, waar niet op getrapt mag worden; ze hebben de baby's in de armen en de kleuters tussen de knieën, maar ze weten niet of het hun eigen kinderen zijn, die ze daar voelen bewegen en wier angstige vuistjes hen vastgrijpen. De kinderen gillen van angst en ontzetting. Geen van de moeders weet de snerpende stemmetjes te onderscheiden, weet het eigen kind te bereiken en gerust te stellen.
Dan, door deze kluwen van wanhoopskreten heen, begint opeens een moeder te zingen:
„Drie kleine kleutertjes,
Die zaten op een hek,
Boven op een hek ...”
Er valt een korte stilte in het gegil. Dan zingen meer moeders mee, en dan de kinderen, helder en onbevangen. Als het liedje
160