Hoe kan Herodes V Licht verdraeghen
In de nacht, na een paar uur rust, staan de grote mensen zacht op en sluipen rillend naar de eetzaal.
De lijst is gekomen.
Ze lezen zwijgend. Bij een enkele naam komt een gesmoord „o!” of een snik. Nu mag dat nog; straks, als ze de kinderen helpen pakken of de kleintjes aankleden of pakjes eten klaar maken, mag er geen kreet zijn, nog zo gesmoord, en ook geen snik. Dan moeten de kleintjes geloven in een uitgangetje en de groten in hun kans op een toekomst. Maar dan worden deze volwassenen, die nu nog hulpeloos en verslagen bijeen staan, geholpen door hun eigen werkende handen, hun eigen dravende voeten.
Ieder gaat terug naar de zaal, die zijn zaal is, waarvan de kinderen zijn kinderen zijn geworden. Ieder heeft geteld, hoeveel er van zijn eigen zaal op de lijst staan; het is veel, - o, het is méér dan de zaal kan verdragen. Er 2;ullen lege bedden zijn morgen,
- overmorgen, - en dan zullen er nieuwe kinderen het kamp binnen worden gebracht en de bedden zullen weer worden gebruikt,
- maar wat helpt dat? Deze kinderen zijn eigen kinderen geworden en ze zullen uit je armen worden gesleurd. Waarheen? Waar-héén? Als je maar genoeg hoop had . . .
Voor de grotere kinderen worden gewekt, moet dat snikken ophouden. Het moet. Het moet. Je mag van binnen verscheurd zijn, als het maar onzichtbaar is. Je moet de kracht en de rust hebben, ze te wekken, als het morgen is geworden en tijd om op te staan. Het moet. Het moet. O, er is geen ontkomen aan.
„Ik ben nog zo moe ...”
„Lieveling, je moet opstaan. Je moet werkelijk ópstaan/
Het grote meisje zit plotseling rechtop, de ogen wijd open. „Moet ik opstaan? Is het nog nacht? Is het maandagnacht?” „Ja.”
Ze schreeuwt: ,Ik wil, niet! Ik wil niet!” en je smoort haar schreeuw tegen je schouder. De andere kinderen, die niet op de lijst staan, mogen niet wakker worden, en die wèl op de lijst staan, moeten zacht gewekt worden, en niet door een nood
148