kopje streelt, is het onverschilligheidsvertoon gebroken. Ze huilt, vanuit de veilige bescherming tegen een schouder die net tot tweehoog reikt, haar laatste verweer naar de vijandin.
„En ik heb hem ook niet willen hebben; - lekker niet! Lekker niet! En je kunt me lekker niet meer pesten, want ik ga lékker dinsdag op transport! Lèkker-fijn! Lèkker-fijn!”
Drie-hoog:
Een Duits accent in een goed aangeleerd Hollands. De twee lange, uitgegroeide meisjes liggen met de hoofden naar elkaar toe gebogen; ze bekijken eikaars foto’s.
„Dat was ons huis. Mooi hè? Moeder zag er toen nog zo jong uit. Die stond achter het hek als je de weg af liep.”
„Hoelang ben jij van huis?”
„Zes jaar.”
„Weet je nog alles? Precies hoe het was?”
„Als ik de foto’s bekijk, - ja. Stams niet.”
„Ik weet haast niets meer. Als je ook helemaal niet weet, waar je vader en moeder zijn ...”
„Denk jij, dat ze nog leven?”
Schouder-ophalen.
,,’k Weet niet. Kan het jou nog veel schelen, of je ze nog eens weerziet?”
„Och, ik wou het toch wel graag.”
„Hoe zou dat komen, dat niets je meer kan schelen? Heb jij dat ook?”
„Het kan mij nog wel een beetje schelen.”
„Mij niet. We gaan toch naar Polen.”
„In Polen vinden we misschien onze eigen mensen terug.” Dan lacht de ander.
„Gek kind!”
Goeiemorgen ... De grote meisjes, die op de kleuterzaal werken, worden het eerst geroepen. De vrouwenstem, die de namen roept, dringt uit een verre verte tot ze door; het duurt lang, eer ze antwoorden.
Heel hoog, vlak onder de balken van de barak, zitten de slaperige meisjes rechtop in hun bed. Ze kunnen wel overeind op
144