„Zeg, - maar wordt God ook door de Duitsers opgepikt?” Welterusten.
„Zullen we weer afspreken, dat je vannacht droog bent?” Want het afspreken heeft al een paar keer geholpen.
Niet altijd .. .
„Ja. Ik zal vannacht droog zijn.”
Ze herhaalt het een paar maal, omdat ze gelooft, dat het dan beter helpt. Dan zegt ze vertrouwelijk en een beetje verdrietig: „Thuis was ik nooit nat.”
„Nee? Hoe zou het nou komen, dat je nu wél nat bent?”
Ze keert diep in zich om te zoeken, hoe het komt.
Haar voorhoofd is gefronst en haar mondje kleingesloten. Dan:
„Omdat het hier griezelig is en vreemd en donker. En omdat de grond zo akelig is en zo vies.”
Wat voor wit bedje, wat voor mollig kleedje op de grond, wat voor rustig licht ziet ze achter haar gesloten oogleden? Welterusten.
Twee-hoog:
Een ruzie, zoals die alleen tussen meisjes kan ontbranden; geen vuisten en geen scherpe nagels komen er aan te pas; alleen woorden, die kwetsen, en antwoorden, die onverschilligheid voorwenden.
„Luizekop,” heeft het meisje met de blonde, steile haren gezegd tegen de buurvrouw met het kaalgeschoren kopje.
,,’k Zou niet eens zulke sprieten willen hébben!”
„O, niet? Heb je ze dan vroeger niet gehad? Oooo!”
„Ik heb nooit zulke sprieten gehad. Ik had zwarte krullen, -zulke!”
De felle, donkere ogen, die diep afsteken tegen het egaalgrijs van het kale kopje, bewijzen, dat ze donkere krullen heeft gehad. „O, en waarom zijn ze er dan af? Voor de lol zeker?”
„Nee, lékker niet voor de lol! Omdat het in de grote barak zo smerig was, - daarom! Kan ik zeker helpen!”
„Nou, - ik zou zo’n kale luizekop niet willen hebben!”
Als een grote mensenhand opeens liefkozend over het kale
143