vader Jacob er zijn beide kleinzoons mee gezegend heeft en dat ze de bescherming vraagt van zijn engel:
„Ha - mallag - ha - go - él - otie - mikol - ra’ - jewarég - et - ha - ne’ariem
Voldaan schobbert ze onder de dekens.
Hindert niet, hoor, of je er niets van begrijpt. Hindert niet, of het in onbegrepen Hollands of in onbegrepen Hebreeuws wordt gezegd. God verstaat alle talen, - als die het maar hoort. Welterusten.
„Nou ga ik je een verrassing vertellen. - Nee,” - tegen buurvrouw in het naaste bed, - „ga jij weg. Het is niks voor jou.”
Met één hand beschermend tussen de fluisterende mond en het luisterende oor:
„Jij bent mijn mammie. Ik ga stilletjes altijd mammie tegen je zeggen: Vind je dat leuk?”
„Och, - ik vind het voor je eigen mammie niet zo leuk, als die later terug komt.”
„Nou ja,” - en met een wegschuivende schouderbeweging, -„ik moet toch een mammie hebben? En als mijn mammie tóch verdwaald is?”
„Welterusten.”
„Welterusten, - mammie!”
Hij is één van de weinige kleine jongetjes in de meisjeszaal. Hij mag hier zijn, omdat zijn grote zus ook hier is.
„Je zou nog van God vertellen,, als ik uitgekleed was.”
„Ik heb je al zo’n boel van God verteld. Wat wou je nog meer weten?”
„Nou, - wat of hij wel kan.”
„Alles.”
„Hij is reuzesterk, hè? Nog sterker dan die bokser in vaders barak?”
„O, véél sterker.”
„Hij kan wel honderdduizend vrouwen an, hé?”
„Nou, - eh, - honderdduizend vrouwen is wel érg veel!” „Maar hij kan ze wel an, - weet ik zeker. Wel miljoen vrouwen.”
142