de vader bij haar bed heeft gespeeld om de tijd van het slapen gaan. Dit lijkt op thuis; het is een beetje anders, maar daar mag je niet aan denken, als je wilt, dat iedere dag zo plezierig mogelijk is.
Hij pakt de viool uit, stemt hem, legt hem onder de kin. Iedere beweging wordt door al die kinderogen gevolgd, van één-, twee-, drie-hoog. Er zijn zelfs een paar kleintjes, die, zonder het te weten, met de handen een denkbeeldige viool voorzichtig beetpakken en onder de kin leggen. Er is eerbied in ogen en handen.
„Wat moet het zijn?” vraagt de man.
De stemmetjes uit de bedden roepen allemaal kinderliedjes door elkaar, schoolliedjes en Hebreeuwse. Hij vangt er één van op en speelt. Over alle voeteneindstangen kijken nu kinderkopjes; alleen die vlak bij hem liggen, blijven in zalige rust onder de dekens, de gezichtjes naar hem toe gewend. Niemand zingt meer; zingen kun je iedere dag, en een viool hoor je haast nooit. Een viool, die liedjes speelt, het een na het andere, - liedjes, die je nog kent van vroeger .. .
Hij vraagt niet meer, wat hij moet spelen; hij kiest zelf. Of kiest de viool voor hem? Laat de viool nog maar even de baas over hem spelen, als hij eens een keer niet voor zijn leven muziek maakt; straks zal hij hem wel achter moeten laten en dan spelen anderen de baas over hem en de viool blijft alleen, zonder dat er iemand is om er liedjes uit te halen. Iedere dag is er één.
Hij heeft de kinderliedjes al verlaten. Er dringt een stille, troostende wijs tot in de verste hoeken van de zaal. De grote meisjes hangen ver over de rand van hun bedden. Die van tweehoog luisteren verloren, de rustige gezichtjes gesteund in beide handen. Maar de kleintjes zijn zacht teruggekropen naar het holletje onder hun dekens en kijken met wijde ogen de leegte in.
Waar zijn ze eigenlijk? Niet in een sterrewoestijn en niet in een zaal met hoge ijzeren bedstellen. Ieder is terug gezweefd naar een eigen wereld, waar geen van de anderen iets van weet. Niemand kan ze volgen en niemand mag ze volgen; dit is hun eigen reis naar hun eigen thuis. Stil. . . laat ze gaan: ze hebben vleugels, die boven prikkeldraad uitwieken, boven wachttorens, over een wijde hei en dan ieder een eigen kant uit. Stil. .. nie
140