En dan gebeurt het, - een technische kleinigheid, die overal en iedere dag kan gebeuren: de tweede dag is er elektrische storing in het hele kamp en ver er buiten, - ook in de villa van de commandant.
Alles is in ’t donker. Dat kan niet, waar mensen en kinderen bij honderden dooreen lopen in de grote barakken, waar massa’s kinderen opgestapeld worden in de hoge bedden van de slaapzalen. Er moet licht gemaakt worden.
Dan stralen, helderder dan wanneer ze overstemd waren geworden door de elektrische lamp, twee warme, bevende lichtjes door het donker van de volle zaal en leggen feestglans op gave, jonge gezichten. Want het is de tweede avond van Channoeka.
Wat is het moeilijk, je te verweren tegen ongrijpbare kracht, die uitstraalt van een beetje kaarslicht. . .
Rattenvanger van Hameln
Eén van de kinderen in de meisjeszaal heeft een vader met een viool; hij mag nog hier blijven, omdat hij in het orkest speelt, maar ze zeggen, dat de commandant het orkest niet lang meer mag laten bestaan, - dat willen de anderen niet hebben, die weer de baas zijn over de commandant, - en dan zullen die vader en dat kind wel worden doorgestuurd. Het is nog niet zover, en zolang het niet zover is, moet iedere dag zo plezierig mogelijk zijn. Dat heeft die vader met de viool gezegd, en om de dag zo plezierig mogelijk te maken, komt hij op een avond, vóór de kleinere meisjes gaan slapen, met zijn viool op de meisjeszaal.
De kleintjes van de één-hoog-bedden liggen al toegedekt; de groteren van twee-hoog spelen en praten wat op hun bed; de heel grote meisjes van drie-hoog zijn er niet allemaal, maar sommigen hebben hun bezit voor de dag gehaald en op hun bed uitgestald. Als de lange man met het vrolijke gezicht en met de vioolkist de zaal binnenkomt, kruipen de kleintjes onder de dekens uit en die van twee- en drie-hoog leunen over de rand om te zien wat er gaat gebeuren.
Hij zegt niets. Hij knipoogt tegen zijn eigen meisje en dat knipoogt terug. Ze weten allebei nog hoe het thuis was: hoe vaak
139