barakken, een luchtig programma bieden. Wie zijn vrije middag gebruikt om langs de wegen van het kamp heen en weer te wandelen, van prikkeldraad tot prikkeldraad, kan zich in de wijde kring voegen, die luistert naar de klaterende marsmuziek. Wie te veel vervuld is van de dinsdag, die nog maar anderhalve dag van hem verwijderd is, vlucht naar het prikkeldraad aan de andere kant van het kamp en kijkt uit over de hei, die aan de horizon het silhouet vertoont van donkere bossen. Wie dat ook niet kan verdragen, omdat de hei en de bossen vrij en groot zijn en de prikkeldraadcirkel klein en beperkt, loopt als een dier in een kooi de wegen op en neer tussen de barakken, langs de kleine voortuintjes van de weinige bevoorrechten, die in een kamer mogen wonen in plaats van in een barak. Die vermijdt de kant van de administratiebarakken, omdat daar helder en vrolijk koper opklinkt in de zonnige zomerlucht.
Maar de kring om de spelers is wijd en breed, want anderhalve dag is een lange tijd en de beestenwagens zijn nog niet het kamp binnengereden om op hun mensenlading te wachten. De blazers spelen als zorgeloze kinderen en de dirigent droomt zich terug In de concertzalen uit langvervlogen dagen. Wie is er dan zo dom om in het geschetter van de horens en in het geroffel op de slaginstrumenten het geratel van wielen te horen, die een mensenvracht voortrollen?
Ordedienaars met kakiuniformen, ster op je borst en SS op de mouw, houden de kring wijd. Er mag niemand te dicht bij de spelers komen. Alles is hier keurig geregeld. Maar een klein meisje glipt onder de orderij door. Een klein jongetje volgt haar, en nog één en nog één. De ordedienaars zien het en laten ze gaan; ze zijn nog zo klein en dit vergrijp tegen de voorschriften zal hun, die dienaar zijn met lijf en ziel, niet worden aangerekend.
Ze pakken elkaar bij de hand, de jongetjes en meisjes. En op de maat van de juichende muziek dansen ze, blij en vrij en sierlijk. Dansen ze, alsof ze geen sterrekinderen waren, maar kinderen met een recht op vrijheid, vreugde en toekomst.
Domme kinderen . . .
De mannen spelen voor hun leven.
109