Diep, diep in zichzelf keren moest ze, nu het grote wonder van de bevrijding in haar was gebeurd.
Met niet-ziende ogen ging ze door de kamer. Ze zette zich aan haar bureau, de ellebogen op de rand gesteund, de kin rustend op de brug van haar handen. Haar ogen waren gesloten, maar het zonlicht schemerde er rozig door heen, en doortrok haar hele wezen met licht.
Ze was vrij. Vrij. Ze had zichzelf gezien, en herkend wat het geweest was in haar, en nu was het weg.
Wat ruim was het geworden. Ze had het gevoel, of ze moest neerknielen, de handen geheven met een offer.
Al wat Leo’s beeld voor haar verduisterd had, was in nevel vervlogen. Ze hoefde zich niet meer aan Leo vast te klemmen; er was geen onheil meer en geen angst. Ze kon alleen gaan. En juist, nu ze Leo losliet, kreeg ze hem ten volle terug.
Kon je wel zó gelukkig zijn? Kon je liefste je terug geschonken worden, op het ogenblik dat je hem losliet? Was dat niet te veel voor een klein mensenkind?
Als een litanie zong het in haar:
„Liefste, liefste, nu ben ik teruggekomen. Nu weet ik, dat de donkere drang in mijn bloed niet tussen jou en mij kan komen. Ik heb me aan je vastgehouden, omdat ik niet alleen durfde, — omdat ik bang was. Nu ben ik niet bang meer. Rust jij maar, liefste, — ik ga wel alleen.”
194