tegen Hettie. Ze sprak tegen haar nieuw-ontdekte zelf, en tegen de vrouwen, de vrouwen met het jonge bloed en de golvende drang naar leven.
„Car,” — het leek een klein meisje, dat het vroeg, — „wil jij een beetje op me passen, — als je me dan niet helpen kunt?”
Op haar passen. Wie had op Car gepast? Had Leo dat gedaan? Ze had geëist van Leo, dat hij op haar paste, — en toen ze dreigde onder te gaan, was er een diep verwijt in haar geweest tegen Leo, die dood was en haar alleen liet vechten.
Ze had het gevoel, of op dit ogenblik haar krampachtige greep om Leo losliet. Of ze, ontspannen en bevrijd, alles zélf kon aanvaarden, zonder leunen op Leo.
In haar geluk om wat er nieuw in haar was opgestaan, streelde ze zacht het glanzend zwarte haar van Hettie.
„Ik zal wel een beetje op je passen. Maar je kunt het ook zonder mij. We moeten het kunnen zonder iemand anders, — zonder iemand anders, — zonder iemand op de wereld.”
Toen Hettie weg was, bleef Car een poos verzonken kijken naar de plaats, waar ze gezeten had.
Ze dacht er niet aan, of ze wel goed gedaan had met Hettie, of ze haar niet naar haar man had moeten sturen om op haar te passen. Want het was niet dit éne jonge vrouwtje geweest, niet Hettie, maar de jonge vrouw.
193