Hettie keerde zich met een ruk naar haar toe. Haar stem klonk rauw.
„Wat dacht je gisteren, toen je me met Steuve zag?”
„Dat hij je oom was.”
„Hij is mijn oom niet.”
O ”
„w.
„Vraag me, wat hij dan van me is!” riep Hettie.
„Nee. Daar heb ik het recht niet toe.”
„Jij wel. Jij hebt het recht om dat te vragen.”
Car werd donkerrood. Waarom vond Hettie, dat zij het recht had om dat te vragen? Wist ze? Had Steuve haar iets gezegd?
„Ik weet niet waarom ik dat recht heb,” zei ze strak.
„Omdat jij ouder bent dan ik, — en rustiger, *— omdat jij boven deze dingen staat.”
Ach God, omdat zij boven deze dingen stond. Ze moest eens weten...
„Wat is hij dan van je, als hij je oom niet is ” vroeg ze gelaten.
Hettie’s bruine vuisten balden zich als gespannen veren. Haar zwarte ogen vlamden heftig op.
„Hij is mijn liefste,” kreunde ze laag, „o, ik weet niet, wat hij van me is. Alles. Ik houd van hem.”
Car keerde zich af. Ze had dit geweten, eigenlijk. Maar zó, zó uitgekreten, zó tastbaar voor haar neergegooid. ..
„En je man?” vroeg ze, het hoofd afgewend. „Hield je niet van je man?”
190