met een energieke beweging, — „reusachtig. Hij zegt, als ik zo doorga, kan ik op de grote uitvoering over drie maanden wel voorwerker worden. En ik ben de jongste!”
Hij sleepte haar mee in zijn trots.
„Maak dat je 't wordt, zeg! Ik zie je al als voorwerker! Moeders mogen toch ook bij die uitvoering?” „O jawel, — vaders en moeders en ooms en tantes, — wat ze maar erbij kunnen krijgen!”
Ze waren thuis. In het licht van de vestibule zag hij, met zijn open ogen, hoe wit haar gezicht was. „Bent u moe?” vroeg hij weer.
„Een beetje.”
Maar terwijl ze haar mantel uitdeed wist ze, dat ze niet een beetje, maar dodelijk, dodelijk moe was. Omdat het vechten, al die tijd, voor niets was geweest. Omdat het een hopeloze strijd zou blijven, tot het eind van haar leven. En niemand, niemand naast haar om haar te helpen.
Omdat de weg-alleen zonder eind was, — zonder eind.
Vroeg in de morgen stond Hettie al voor haar. „Ik wou je vragen, Car,” — ze zocht naar iets, dat haar vroege komst verklaarde, — „ik kwam hier toch langs...”
„Zeg het maar,” zei Car kort. Ze kon dit nu niet hebben, dit toevallig hier langs komen.
189