niet langs kon gaan als ieder ander, maar dat hij iets in haar openscheurde. Als vroeger.
„Hallo, moeder!”
Siems overslaande stem uit het donker.
Ze voelde zich als betrapt door haar grote jongen,
— midden in haar gedachten aan Geert.
„Hallo! Waar kom je vandaan?”
Ze voelde zijn verbazing.
„Van gymnastiek toch?”
Als ze nog opengestaan had, zoals straks, had ze het geweten. Nu moest ze een reis maken van heel ver, om bij hem terug te komen.
„Och ja, dat is zo!”
„En u?”
Ze streek met de hand over het voorhoofd. Waar kwam ze vandaan? Van de stille straat, waar ze plotseling Geert Steuve gezien had, — met Hettie,
— waar het bloed in haar slapen geklopt had, — waar ze geweten had, dat Geert altijd zou blijven staan tussen haar en Leo... Daar kwam ze vandaan.
Maar daarvoor? Waar kwam ze daarvóór vandaan? „Ik heb het kindje van Tine gezien,” zei ze langzaam, alsof ze het zelf in haar herinnering terug moest roepen.
„Leuk?”
»Ja, — o ja, heel leuk.”
Hij keek haar van opzij aan.
„Bent u moe?”
„Wel een beetje. — Hoe was ’t op gymnastiek?” „O,” — hij strekte zijn lange armen, trok ze terug
188