zich in Car’s richting, zijn groet volgend. En Car zag, dat het Hettie was.
Dadelijk was het voorbij. Car op weg naar huis, naar haar kinderen, — Geert op weg naar zijn huis, naar de vrouw met het grijze haar en de luisterende ogen, — en Hettie, — Hettie misschien ook op weg naar haar huis, naar haar man, naar Dippie en het jongetje.
Car wist niet, wat haar adem zo snel deed gaan: het plotseling weerzien van Geert Steuve, of Hettie’s hoofd tegen zijn mouw. Ze ging vlugger lopen, in een onbewust verlangen om weg te zijn van de plek, die haar de lichte blijheid had ontnomen.
Ze stond niet meer open voor de dingen en mensen om haar heen. Ze zag geen gezichten meer, zocht geen levende mensen-ogen. Gesloten, met een slag dichtgesmeten, — en het enige gezicht, dat ze nog zag, was dat van Geert, zoals hij haar gegroet had met een blik van herkenning.
Hettie, het kinderlijke moedertje van Dippie, met haar man, die ze een schat noemde, — Hettie had met het kinderlijk gebaar, dat bij haar hoorde, haar hoofd langs zijn arm geaaid. Waarom had ze dat gedaan? Wat was er tussen Hettie en hem? Er kon niets zijn, want Hettie vond haar eigen man een schat.
Och, misschien was hij wel haar oom. Dat kon immers best. En wat raakte het haar, of hij haar oom was, en wat er bestond tussen hen beide? Het enige, wat haar raakte, was: dat ze hem weergezien had, onverwacht, en dat het niet over was. Dat ze hem
187