De angst was er uit weg, en er was niets dan verzadigdheid.
Toen Car weg ging, nam ze dit beeld mee. Haar voeten gingen licht over de straat, van een grote blijdschap.
Het was al donker geworden. Toch haastte ze zich niet. Ze liep door de verlichte winkelstraten, langs zorgengezichten, lachende maskers en maar enkele, enkele werkelijk blijde gezichten. Ze had behoefte om mensen in ’t gezicht te kijken en de paar levende en bezielde, de paar, schaars verspreid tussen de vele levenloze, te verzamelen als mooie kiezelsteentjes.
Ze stond open, — ze voelde het. Het was een vreugde om open te staan.
Ze stak over en ging een zijstraat in. Die was stiller, en de mensen, die je ontmoette, waren wezens op zichzelf, geen deel van het zoemende geheel. De voetstappen van elk mens waren hier hoorbaar.
Een grote gestalte aan de overzij, met een kleinere dicht ernaast, raakte iets in haar, maakte iets in haar wakker. Die grote kop, even gebogen...
Het was Geert Steuve.
En het was niet over. Het bloed, dat in haar oren ruiste, zei haar, dat het niet over was.
Op hetzelfde ogenblik, dat ze gezien had, wie het was, keek hij op en zag haar. Hij groette met een even öplichten van de ogen.
Het figuurtje naast hem had net aanhalig het hoofdje tegen zijn jasmouw gedrukt. Nu keerde ze
186