ze, bijna plotseling, een meisje geworden, helemaal in knop nog, maar zacht en verwachtend.
Nu was Tine moeder. Dat was al, wat ze gehoopt had. Maar het tevredene in haar ogen werd versluierd door een duidelijke angst. Jammer, jammer.
„Zeg maar waar je over tobt,” noodde Car.
Tine keek in de richting van de wieg, fluisterend, alsof het kind het niet mocht horen.
„Ik denk aan al, wat er wel gebeuren kan. Als hij kreunt, kan hij wel een benauwdheid hebben. Als hij zich verslikt terwijl ik hem voed, kan hij er wel in stikken. Als hij zo lelijk kijkt, kan hij wel... geestelijk, zie je, — daar weet je zo weinig van, zolang hij zo klein is. Er kan zo veel, — o, Car, wat is zo’n klein kindje toch omgeven door gevaren.”
„Ja,” zei Car. „En grote kinderen, — en wij zelf! Als we op straat lopen, kunnen we door een auto worden aangereden. Als de kinderen op weg naar school zijn, kunnen er duizend dingen gebeuren. En wat voor ziekten bestaan er niet allemaal!”
„Spot je met me?” vroeg Tine,.
„Een beetje. Al heb ik het recht niet, om er mee te spotten, want o, als je eens wist, wat een dodelijke ziekten mijn kinderen in mijn gedachten al niet hebben doorgemaakt, als ze 's nachts een beetje hoestten. ’s Nachts het ergst.”
„Dus jij ook,” zei Tine tevreden.
„O ja, ik ook. Maar achteraf spot ik er altijd zelf mee, zie je.”
„Misschien ik later ook,” zuchtte Tine ongelovig. 184