„Nou, wat wil je dan? Een ontaarde zoon?” „Nee,” zei Tine met een moeilijk lachje, „maar het moederschap is niet zo onbewolkt als ik het me had voorgesteld.”
Herinneringen aan rijk-vloeiende tranen-beken, in het kraambed vergoten, kwamen bij Car boven. Lieflijk waren die herinneringen. Wat jong was je, als je nog zoveel tranen te vergieten had om dingen, die later en nuchterder beschouwd niets bleken te zijn.
„Ik weet het wel,” zei ze ervaren. „Je stelt je voor, maanden van te voren, hoe rustig het zal zijn, en hoe veel je slapen zult, als het kindje er eenmaal is. Hè? Maar het kindje vraagt dadelijk om z’n eten, en het kindje huilt, net als je wou gaan slapen. Hè?” Tine zuchtte.
„Eindelijk een begrijpende ziel.”
„Eindelijk! Je zoon is vier dagen oud.”
„Ja, maar het lijkt langer. Ab klopt me op m’n schouder en zegt, dat ik me geen muizenissen in m’n hoofd moet halen. Mientje is één liefheid en voorzichtigheid, maar haar kan ik toch allerminst m’n nood klagen. Je bent een uitkomst, Car.” „Gelukkig. Ik ben wel graag een uitkomst.”
Ze keek aandachtig naar Tine. Ze was veranderd in haar huwelijk. Het gezicht was ronder geworden en in de maanden van haar zwangerschap was er een diepe tevredenheid in haar ogen gekomen. Car had nooit gevraagd; ze had begrepen, dat het goed was tussen Tine en Ab. Mientje was onder Tine’s warmte opgebloeid; van schichtig, mager kind was
183