De weg alleen

Titel
De weg alleen

Jaar
1949

Pagina's
195



HOOFDSTUK XV

Tine’s kindje werd twee maanden later geboren dan het rose, fluwelige meisje van Lydia. Tine’s kindje was een stevig en wilskrachtig jongetje, dat verongelijkt kon huilen en heftig kon drinken.

Car, het beeld van Lydia’s baby nog bij zich, vergeleek merkbaar, toen ze in de wieg keek.

„Vind je ’m goed uitzien?” vroeg Tine angstig.

Car lachte.

„Keurig. Maar een beetje kwaad.”

„Hindert dat?” ondervroeg Tine. „Ik weet er zo weinig van, ■— zijn alle kindertjes zo?”

Car voelde zich de expert.

„De één wel en de ander niet. Je hebt ze, die het dadelijk heel genoeglijk vinden hier, en je hebt ze, die er maar matig over te spreken zijn. Zo één is je zoon.”

Tine bleef haar onderzoekend aankijken.

„Ik weet er zo weinig van,” zei ze weer. „Dan denk je gauw, dat er iets hapert.”

Car schudde het hoofd.

„Waar moet dat heen, waar moet dat heen, als je zó begint! Er is niets op de man aan te merken dan dat ie niet toeschietelijk is.”

„Dat heeft ie van mij.”

182

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.