heb. De moederschoot de moederschoot ”
Ze zei het haast onhoorbaar. Lydia, voorover gebogen, ving de woorden op en knikte.
„Eén keer,” droomde Car voort, „moeten moeder en ik elkaar gesproken hebben, — in dezelfde taal. Elkaar begrepen hebben. Eerder mag ze niet weggaan.”
„Ja,” zei Lydia, „daarom moet ik haar ook zeggen van het kindje.”
Ze keken elkaar aan, en wisten, dat ze hetzelfde van moeder verlangden: ze moest wakker worden om de woorden, die ongezegd waren gebleven.
#
Ze was sterk. En daarom werd ze beter.
De omkeer kwam, toen Car twee dagen van haar kinderen weg was. Een wonderlijke verandering, die bij vader alle weerstand brak, toen het eenmaal tot hem doordrong, dat ze beter werd.
Maar de ongezegde woorden van Lydia en Car bleven ongezegd. Ze was te uitgeput en zwak. Car ging terug naar haar huis met een afscheidsknik en een veerlichte kus op moeders voorhoofd. Maar als moeder beterend was, zou ze terugkomen.
Ze kwam terug, enige weken later, toen de berichten steeds beter werden. Ze kwam terug met een hart vol liefde en verlangen.
„Waar is moeder?” vroeg ze, als een kind dat uit school kwam.
De weg alleen 12*
179