Maar hij greep haar bij een schouder en duwde haar zacht de kamer uit.
„Ik wou wachten tot moeder wakker is,” zei ze buiten de kamer.
„Zuster waarschuwt ons wel. Het heeft geen zin om daar te zitten en naar moeder te kijken. Moeder wordt er niet beter van.”
„Maar als dat wakkere ogenblik nu voorbij is, als zuster ons geroepen heeft? Ik wil moeder spreken voor ze... voor ze...”
Hij dacht: „We willen haar allemaal spreken. Waarom wachten we toch zo lang eer we met iemand spreken? Tot het niet meer kan.”
Maar hij zei: „Misschien kun je haar nog zo veel en zo lang spreken als je wilt. Ze is zo sterk.”
„Ja hè?” greep Car toe, „ze is heel sterk.”
Ze wist op dat ogenblik, dat dat sterke van moeder, dat onbuigzame, haar juist verwijderd gehouden had. En nu hoopte ze op die kracht, als het enige, dat uitkomst kon brengen.
Lydia keek opgelucht, toen Car de kamer binnenkwam.
„Kom hier zitten,” wees ze op de stoel naast zich, in het hoekje bij het raam. „Laat Flip met vader praten; daar heeft hij meer aan. Ik voel me zo overbodig hier.”
„Is Frans vandaag hier geweest?”
„Even. Straks komt hij weer.”
„En Coba?”
„Ook. Maar ze moet toch bij de jongens zijn.”
De weg alleen. 12
177