Moeder deed de ogen even half open en kreunde wat. Car maakte een beweging in de richting van het bed, maar tegelijk was de verpleegster er ook al.
„Is moeder wakker?”
„Echt wakker is ze sinds gisteren niet geweest,” fluisterde de verpleegster. „De koortsen zijn te hoog.”
De verpleegster bevochtigde de lippen, verlegde het hoofd wat, streek de lokken uit het gezicht. Toen lag moeder weer in de slaaptoestand terug.
„Ik wacht tot ze wakker is,” zei Car zacht.
De verpleegster schudde het hoofd.
„Zo lang de toestand zó is, kunt u daar niet op wachten.”
Een spottende glimlach ging over Car’s gezicht. Wat wist die andere er van, waar zij op wachten kon? Ze had bij Leo gewacht, en een blik vol liefde van hem gekregen, en het woord „liefste” van hem opgevangen. O, zij kon wachten!
Ze nam een stoel en zette die bij het voeten-eind van het bed. Met scherp-kijkende ogen zat ze, iedere beweging van de zieke in zich opnemend.
Maar de tijd verliep, en er kwam geen verandering.
„Zoudt u niet liever een poosje beneden gaan zitten?” vroeg de verpleegster rustig-dringend, als sprak ze tegen een kind.
„Nee,” zei Car, „ik wil liever wachten.”
Maar op hetzelfde ogenblik kwam Flip’s hoofd om de hoek van de deur.
„Car, je moet komen,” zei hij kort.
„Ik wil liever...”
176