Hij legde zijn hand op haar schouder.
„Jij houdt te veel van moeder,” zei hij. „Ik heb je altijd gezegd, dat je te veel van moeder hield.”
„Te veel? Och, jongen, wat weet jij daar van!”
Ze dacht aan al die keren, dat ze, onuitgesproken, moeder verweten had al wat ze ontbeerde. Zij — te veel houden van moeder!
„Pas liever op Lydia dan op mij! Ze ziet erg wit. Verwacht ze een kind?”
Hij haalde de schouders op.
„Ik denk van wel. Coba denkt het. Maar ze zegt er niets van. — Maar ik ben jou achterna gegaan, omdat je wou kijken, wat ervan waar was. Ik wou je waarschuwen, dat het allemaal waar is.”
„Laat me dan maar gaan.”
Ze draaide zacht de kruk om en ging de kamer in. Bij het raam zat een verpleegster. Daar had Car niet aan gedacht, dat er een verpleegster bij moeder zou zijn.
Moeder sliep, met hijgende, open lippen en rode plekken op de wangen. Het haar lag gevlochten in twee zware vlechten, maar het hoofd bewoog zich onrustig in het kussen en er vielen klamme lokken over het voorhoofd heen.
O, maar Car zou hier blijven wachten tot moeder wakker werd. Zó ging ze niet weg. Dat moest die verpleegster, die bij het raam zat en naar haar keek, niet denken: dat ze weg zou gaan vóór ze moeder gesproken had.
175