Toen ze aankwam, en een taxi haar gauw naar haar ouderlijk huis bracht, dacht ze hoe ongewoon het zou zijn: thuis komen, en moeder ziek op bed vinden. O, maar ze zou gauw beter zijn, en opveren, en rechtop en groot door het huis gaan.
De eerste, die haar tegemoet kwam, was Lydia, wat bleek, het gezichtje wat smal, de schouders wat achterover hellend.
„Hoe is ’t met moeder?” vroeg Car haastig.
„Ik weet het niet. Ik geloof, dat ze erg ziek is.”
Flip en vader kwamen de kamer in. Car kuste vader, die er verslagen en klein uitzag, met dat onbe-holpene, dat hem opeens oud deed schijnen.
„Mag ik bij moeder?”
„Je mag wel, denk ik,” zei Flip. „Maar je zult er niet veel aan hebben. Ze merkt haast niet, wie er in haar kamer is.”
Moeder niet merken, wie er in de kamer was... Zij, die alles zag, alles merkte. O, maar dat geloofde ze niet. Ze moest gauw naar haar toe, en zien dat het niet waar was.
Ze deed hoed en mantel uit.
„Ik ga naar haar toe,” zei ze rustig.
Ze liep de trap op en bleef even hijgend voor de slaapkamerdeur staan. Toen merkte ze, dat Flip achter haar stond.
„Je zult er niet veel aan hebben,” zei hij weer. Het was of hij haar wou tegenhouden.
„Dat hindert niet,” zei ze onverschillig. „Ik mag toch wel even kijken, wat er van waar is?”
174