HOOFDSTUK XIV
De betekenis van het bericht begon pas tot Car door te dringen, toen ze al in de trein zat, zonder koffer, zó als ze in haar mantel geschoten was en de deur uit was gegaan. Ze had de kinderen goeien-dag gekust, en gezegd dat grootmoeder ziek was, — ze had het meisje gevraagd, of ze haar wel één of twee dagen kon missen, — ze had niet aan de pianolessen gedacht, die afgezegd moesten worden, en ze was weggegaan. Siem had haar gebracht, en gevraagd of ze dan geen koffer mee moest hebben.
„Nee,” had ze gezegd, „het gaat zó wel.”
„Denkt u dat grootmoeder erg ziek is?”
„Ik denk het wel. Anders hadden ze me niet getelefoneerd.’'
„Denkt u, dat ze beter wordt?”
„O jawel. Ze is zo sterk.”
De fiere gestalte van haar moeder was niet overeen te brengen met ziekte. Ze kon niet ziek zijn. Het paste niet bij haar.
„Komt u gauw weer terug?”
„O jawel, heel gauw. Grootmoeder zal wel gauw weer beter zijn.”
„Wanneer komt u?”
Daar moest ze bij nadenken. Ze had nog hele
172