De weg alleen

Titel
De weg alleen

Jaar
1949

Pagina's
195



HOOFDSTUK XIV

De betekenis van het bericht begon pas tot Car door te dringen, toen ze al in de trein zat, zonder koffer, zó als ze in haar mantel geschoten was en de deur uit was gegaan. Ze had de kinderen goeien-dag gekust, en gezegd dat grootmoeder ziek was, — ze had het meisje gevraagd, of ze haar wel één of twee dagen kon missen, — ze had niet aan de pianolessen gedacht, die afgezegd moesten worden, en ze was weggegaan. Siem had haar gebracht, en gevraagd of ze dan geen koffer mee moest hebben.

„Nee,” had ze gezegd, „het gaat zó wel.”

„Denkt u dat grootmoeder erg ziek is?”

„Ik denk het wel. Anders hadden ze me niet getelefoneerd.’'

„Denkt u, dat ze beter wordt?”

„O jawel. Ze is zo sterk.”

De fiere gestalte van haar moeder was niet overeen te brengen met ziekte. Ze kon niet ziek zijn. Het paste niet bij haar.

„Komt u gauw weer terug?”

„O jawel, heel gauw. Grootmoeder zal wel gauw weer beter zijn.”

„Wanneer komt u?”

Daar moest ze bij nadenken. Ze had nog hele



172

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.