regende nauwelijks meer, en de warmte van het haardvuur had ze nog in haar leden.
Het beeld van de vrouw naast de haard, gereed tot luisteren, bleef bij haar, als iets begeerlijks en iets onbereikbaars.
Ze boog zich over het stuur. Haar voeten op de trappers gingen in regelmatig, snel rhytme. Het rhytme van een paar woorden, waar ze zich niet los van kon maken:
„Maar niet voor mij. Maar niet voor mij.”
171