haar jurk-rand, die alleen nog maar klam voelde. „Ik moet naar huis.”
De ander keek naar buiten.
„Het regent nog.”
„Niet meer 20 erg als toen ik kwam. Misschien blijft het de hele dag wel regenen.”
Ze nam de papieren uit haar tas.
„Wilt u 2e... hem geven?”
„Ja. Maar u moet gauw terug komen, — ook als er geen werk te brengen is.”
Car antwoordde niet. Op het ogenblik, dat 2e het werk in haar handen had genomen, was de herinnering teruggekomen, en met de herinnering de leugen tussen haar en 2ijn vrouw. Ze mocht hier niet terug komen.
„Ik dank u,” ontweek 2e, „voor het verbinden en het warmen en drogen. En — en al het andere.” „Ik ben blij, dat u eindelijk hier gekomen bent. U had het eerder moeten doen.”
Als ze het eerder gedaan had, — als 2e het dadelijk gedaan had, — dan was alles anders geweest. Nu was het te laat.
Ze stak haar hand uit en greep de smalle, witte hand van de oudere vrouw.
„Ja, ik had het eerder moeten doen. Ik heb het niet geweten.”
Op het pad naar het hekje keerde 2e 2ich nog eens om en wuifde. De ogen, die haar nakeken, toen 2e op de fiets stapte, waren de ogen van een moeder. Met de wind achter 2ich vloog 2e terug. Het
170