„En uw kleinkind?” onderbrak ze zich plotseling. „U weet alles van mijn kinderen, en ik weet niets van uw kleinkind.”
Ze glimlachte.
„Een kleinkind is een zoveel makkelijker bezit dan kinderen. Al wat ik kan doen, is de verhalen van mijn dochter lezen en de kiekjes bekijken, *— en er mee pronken.”
Ze wees naar een foto van een mollige baby in de armen van een witgekleed moedertje. Car nam het in haar handen en bekeek het aandachtig. Ze leek op hem, op haar vader. Dezelfde blik onder de wenkbrauwen, dezelfde inzet van het haar in het hoge voorhoofd... Ze zette het weer weg.
„Heerlijk kindje, hè?”
„Ja,” zei Car en keek uit de verte nog eens. Want ze had het kindje nauwelijks gezien. „Vindt u ’t jammer, dat u het nog nooit hebt gezien?”
„Natuurlijk. Maar ze schrijft het allemaal zo levendig. Daar moet ik het voorlopig maar van hebben.”
Car, nu helemaal heen over wat haar had tegengehouden, praatte over het kindje in Indië, toch weer telkens terugkomend op haar eigen kinderen. Dat, wat alle andere mensen tegenover haar deden: praten over eigen dingen, — dat deed zij hier, en ze had geen ogenblik het gevoel, dat deze vrouw het liever anders had. Ze kon luisteren, zoals nog niemand tegenover Car gezeten en geluisterd had.
„Ik ben droog,” zei Car plotseling, knijpend in
169