„Ik kwam hier zo verfomfaaid aan, en die warmte opeens.”
„Als u weer komt, moet het op een zonnige dag zijn.”
Wéér komen. Ze mocht hier niet weer komen. Ze had er het recht niet toe.
„Doet u het?”
„Ja,” zei ze moe.
Ze strekte haar natte schoenen naar het vuur uit en keek in de vlammen. Ze wou graag hier blijven en zich koesteren, als ze maar niet hoefde spreken. Ieder woord was een leugen. De argeloosheid van die oudere vrouw pijnigde haar. En toch was het zo goed hier te zijn, in deze troostende sfeer.
„Als ik droog ben,” zei ze, „moet ik gauw terug naar huis.”
„Niet vóór de bui over is. — Vertel me zo lang wat van uw kinderen.”
Er lichtte iets op in Car’s ogen.
„Wat wilt u van ze weten?” vroeg ze gretig.
„Alles.”
Ze vertelde. Ze verloor zich met graagte er in. Zo lang ze vertelde, voor deze open, luisterende oren, kwelde haar niet de leugen van haar hier-zijn. En de warmte van de haard drong tot haar door, gaf kleur aan haar wangen en glans aan haar ogen.
Een luisterend oor. Hoe lang had ze dat ontbeerd? Een werkelijk luisterend oor, dat niet afdwaalde en ook niets anders van haar verlangde dan dat, wat ze vertelde.
168