ingespannen tocht, het zachte gezicht tegenover haar, aan de andere kant van de haard, gaven haar een ogenblik een gevoel van overstelptheid. Ze leunde met haar hoofd tegen de schoorsteen.
„Als ik soms mocht beginnen te huilen,” zei ze met bevende lippen, „dan is het niet om... dan is het nergens om...”
Ze probeerde nog te lachen, maar de tranen vloeiden al over haar wangen. Het gezicht aan de overzijde knikte maar wat. Car deed helemaal haar best niet meer om de tranen tegen te houden. Z]e snikte stil tegen de schoorsteen. Ze wist niet waarom.
Toen het voorbij was, zei ze beschaamd: „Wat moet u wel van me denken.”
„Dat u een dapper jong ding bent. Hoe u u er door vecht met uw vier kinderen. Ik weet alles. Mijn man heeft alles verteld.”
Eén ogenblik wou ze schreeuwen, hard schreeuwen: „Niet alles! Hij heeft u alleen verteld, hoe ik heb gevochten tegen de gewone, openlijke dingen. Maar al het andere niet! Had hij het u maar verteld, — dan zat ik hier niet tegenover u, en u was niet zo lief voor me!”
Maar ze zweeg, met een pijnlijk trekken van haar mond. De zoetheid, de bevrijding van het belijden was niet voor haar. Dat had ze verspeeld.
„Wordt het al wat beter?” vroeg de zangerige stem.
Car knikte,
167