„Wie gaat er nou door dit weer,” mopperde mevrouw Steuve. „Hoe bent u hierheen gekomen?” „Met de fiets.”
Ze schudde het hoofd.
„Ja, maar het regende nog niet, toen ik wegging,” verdedigde Car zich.
„Het stormde wel. U had toch een mooiere dag kunnen afwachten!”
Car kon haar niet zeggen, waarom ze niet had kunnen wachten. Niets kon ze haar zeggen. Voor haar was ze de vrouw van hun gestorven dokter, en de vrouw die geld bijverdiende met het copiëren van muziek voor haar man. Wat er gebeurd was tussen haar en diezelfde man, — wat er had kunnen gebeuren, — wat er diep in haar geheimste gedachten en diep in haar stromend bloed nog gebeurde, — dat zou deze vrouw nooit weten. En toch zat Car hier, zich koesterend voor het haardvuur, met het gevoel, dat ze haar vele jaren kende, — dat ze haar altijd gekend had, van dat ze een klein, afhankelijk meisje was met een bloedend vingertje, waar ze nog om kon huilen. Ze had haar gekend, toen haar hunkerende kinderziel uitging naar al wat verwarmde en koesterde. Ze had haar gekend, toen Leo dood was en alles in haar schreide om een moederschoot.
Neen, ze had haar niet gekend. Toen niet. Ze had haar gezocht, en niet geweten, dat ze er was.
De warmte van de knetterende vlammen, na de
166